Leeuwarden

Leeuwarden, dossier Wirdum

Van 25 april tot 29 juni 2016 heeft opgravingsbedrijf Archeodienst in opdracht van CRV BV (een coöperatieve veeverbeteringsorganisatie uit Arnhem) een archeologische opgraving uitgevoerd aan de Brédyk 32 in Wirdum. De uitvoering van archeologisch onderzoek was een van de voorschriften die in de omgevingsvergunning van CRV voor de bouw van een kernfokbedrijf (runderembryofabriek) waren opgenomen. De gemeente Leeuwarden is bevoegd gezag voor het archeologische onderzoek. Vanuit de gemeente is het project begeleid door de gemeentelijk archeoloog.

De vindplaats betrof een woonterp die in de late ijzertijd en Romeinse tijd (rond het begin van de jaartelling) bewoond was. Er zijn slechts enkele terpen die zo goed onderzocht zijn als in dit geval mogelijk was geweest. Het ging hier dan ook om een zeer zeldzame, bijzondere en waardevolle vindplaats die bovendien goed bewaard was. Het onderzoek was daarom van bovenregionaal en misschien wel van nationaal belang. Terpspecialisten van de universiteit van Groningen hebben grote interesse getoond en hebben de opgraving meerdere malen bezocht en hebben ook zelf een bijdrage aan het onderzoek geleverd, waarmee het belang van de vindplaats onderstreept wordt.

Tijdens de bouwwerkzaamheden is op gezag van de gemeente meer dan de helft van de vindplaats zonder onderzoek weggegraven. Het overgebleven deel is door Archeodienst onderzocht. CRV weigerde na het veldwerk echter om het onderzoek te betalen. Omdat CRV een belangrijke partij is voor de gemeente houdt deze de hand boven het hoofd van het bedrijf en onderneemt geen enkele actie, hoewel dit wel de taak is van de gemeente. Alle verzamelde vondsten en gegevens van de opgraving dreigen daardoor nu ook verloren te gaan. Wat een wetenschappelijk onderzoek van internationale allure had moeten worden, is uitgelopen op de volledige vernietiging van een belangrijke archeologische vindplaats en een failliet opgravingsbedrijf, want door het uitblijven van de betalingen van CRV heeft Archeodienst in oktober 2016 het loodje moeten leggen.

Willem-Simon van de Graaf, directeur van Archeodienst heeft in een poging om het onderzoek alsnog af te ronden in 2017 WOB-verzoeken gestuurd naar verschillende overheden. Hoewel de sterke indruk bestaat dat de gemeente bepaalde zaken in de doofpot wil stoppen en veel documenten niet of niet geheel of pas in tweede of derde instantie geleverd zijn (hier loopt nog een beroepsprocedure over bij de rechtbank Noord-Nederland), heeft dit ook documenten opgeleverd die licht werpen op verschillende aspecten van de kwestie. Hier zijn alle 245 WOB- en andere documenten te vinden die in het dossier verzameld zijn.

Samenvatting van de gebeurtenissen

In het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning is er begin 2015 een booronderzoek uitgevoerd om de archeologische waarde van het plangebied vast te stellen. Uit dit onderzoek bleek dat in een groot deel van het plangebied archeologische resten van de ijzertijd tot de middeleeuwen aanwezig waren. De gemeentelijk archeoloog liet daarna dan ook weten aan CRV dat ter plekke van de twee geplande grote stallen archeologisch onderzoek moest plaatsvinden. In het Programma van Eisen dat vervolgens voor het daaropvolgende proefsleuvenonderzoek werd opgesteld, bleek er nog maar één stal onderzocht te moeten worden (de noordelijke). De proefsleuven lagen bovendien alleen aan de noordelijke rand van de geplande stal zodat het onderzoek geen goed beeld kon geven van de archeologische situatie binnen de gehele geplande bouwput. Wel was duidelijk dat er belangrijke archeologische resten aanwezig waren. In het Programma van Eisen voor de daarop volgende opgraving viel opeens een groot deel van de geplande stal af, hoewel hier helemaal geen onderzoek had plaatsgevonden. Er had hier een kelder gestaan waardoor de gemeente aannam dat alle archeologische resten al verdwenen zouden zijn. Tijdens de opgraving bleek echter dat die archeologische resten onder de kelder nog zeer goed bewaard gebleven waren. Dat deel is vervolgens wel opgegraven. Dezelfde situatie deed zich echter ook in de zuidelijke stal voor, waar de gemeente geen opgraving voorgeschreven had. In de gehele bouwput (die parallel aan de opgraving door het bouwbedrijf werd uitgegraven) waren de archeologische resten zeer goed bewaard. Ondanks het feit dat Archeodienst dit aan de gemeente gemeld heeft, mocht CRV alle archeologie in deze bouwput weggraven.

Tijdens de opgraving waren er grote problemen tussen CRV en Archeodienst over de kosten van het onderzoek. CRV was uitgegaan van een begroting die veel te laag bleek te zijn omdat er veel meer vierkante meters onderzocht moesten worden dan waar CRV van uit gegaan was. Er moesten vaak vijf lagen onder elkaar onderzocht worden in plaats van de begrote twee lagen. Doordat CRV haar begroting niet wilde aanpassen, is het veldwerk meerdere keren stil gelegd. In plaats van de archeologie te beschermen en het benodigde onderzoek bij CRV af te dwingen, probeerde de gemeente het onderzoek zo veel mogelijk uit te kleden. Uiteindelijk is het veldwerk in opdracht van CRV afgerond. Zodra de archeologen echter weg waren en de bouw ongestoord kon plaatsvinden, was de wil om te betalen bij CRV ook weg; ondanks haar contractuele en wettelijke verplichtingen. Archeodienst heeft hulp gezocht bij de gemeente en bij de provincie en gewezen op de grote consequenties die het uitblijven van de betalingen zou kunnen hebben. De overheden weigerden echter categorisch om in te grijpen. Kort daarna ging Archeodienst failliet.

Toen de curator van Archeodienst vervolgens de facturen probeerde te innen, wilde deze na onderhandelingen met CRV een korting van ruim € 30.000,- geven. Omdat Van de Graaf er niet mee kon leven dat de partij die zijn bedrijf failliet had laten gaan, hiervoor ruimhartig beloond zou worden, heeft hij de vordering van de curator overgenomen. De pogingen om de vordering te innen bij CRV zijn vooralsnog niet geslaagd omdat de gemeente CRV in bescherming neemt. In augustus 2017 heeft Van de Graaf een brief over deze belangenverstrengeling aan de gemeente geschreven en daarin kritische vragen over de kwestie gesteld. In oktober volgt een tweede brief. Deze brieven zijn na ruim zeven maanden pas op 27 maart 2018 beantwoord (brief1, brief2). Met de antwoorden probeert de gemeente de verantwoordelijkheid af te schuiven, haar daden goed te praten door halve waarheden te vertellen en stellingen in te nemen die niet door de documenten in de WOB-stukken bevestigd worden en door de problemen te ontkennen. In december is er een gesprek met wethouder Deinum geweest, maar dat heeft niets opgeleverd.